Deze browser ondersteunt geen javascript... BV project: steekkaarten

home voorbeelden alfabetisch voorbeelden via criteria voorbeelden via trefwoorden steekkaarten alfabetisch steekkaarten via trefwoorden woordenboek

Steekkaart : Hoorcolleges met activerende elementen

Omschrijving

Hoorcolleges zijn een veel voorkomende onderwijsvorm in het Hoger Onderwijs. Vaak echter worden ze niet studentgericht georganiseerd. Studenten luisteren terwijl de docent vooraan zijn verhaal doet. Toch zijn er ook in hoorcolleges manieren om studenten te activeren.
Bijvoorbeeld via het inventariseren van meningen, het stellen van vragen, het geven van opdrachten, het bediscussiëren van stellingen of voorbeelden, etc.




Waar gaat het over?
Waaruit bestaat het?
Waarvoor en hoe kan je het gebruiken?
Tips en valkuilen?
Wil je er meer over weten?

Bijhorende Voorbeelden
Bijhorende Steekkaarten


Over deze steekkaart



Waar gaat het over?

Een hoorcollege is een onderwijsvorm, waarbij de docent een lange mondelinge uiteenzetting geeft aan een, in principe, onbeperkt aantal studenten. Daarbij is er veel sprake van eenrichtingsverkeer: de docent is aan het woord en er is maar weinig interactie met de studenten.
Smuling, E.B., Van Hout, J.F.M.J.,& Mirande, M.J.A. (1993). Colleges en presentaties: aanwijzingen voor docenten. Groningen, Wolters-Noordhoff.

Een hoorcollege heeft volgens De mink drie doelstellingen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
De Mink, F.B. (1991). Uitdagen op hoorcolleges. OC-Bulletin nr. 30. Onderwijskundig centrum, Universiteit Twente.

  1. voorwaardelijke functie: een hoorcollege motiveert studenten en wekt hun interesse op voor de leerinhoud;
  2. oriënterende functie: een hoorcollege informeert studenten over de leerinhoud, geeft de grote lijnen weer, geeft voorbeelden en verduidelijkingen, vergroot het inzicht van de studenten in de leerinhoud, structureert de leerstof, etc.;
  3. oefenfunctie: het hoorcollege biedt de mogelijkheid tot het stellen van vragen door de docent, het geven van opdrachten en verbeteren van opdrachten, etc.

Meestal blijft de rol van de student bij een hoorcollege beperkt tot een passief luisteren en noteren. Vanuit constructivistisch en studentgericht oogpunt is dit niet gewenst. Een verklaring die wordt aangehaald voor deze werkwijze is de omvangrijke groep waarmee men (noodgedwongen) dient te werken. Toch zijn er binnen deze beperkingen van het hoorcollege mogelijkheden tot activering.





Waaruit bestaat het?

Een ideaal hoorcollege is structureel opgebouwd uit een inleiding, een kerngedeelte en een slot, elk met hun eigen doelstellingen.

Inleiding: toehoorders motiveren, hun aandacht richten, hun voorkennis activeren, hen informeren over inhoud, structuur en doelstellingen van het college.
Kernbetoog: gestructureerd aanbieden van inhoud, aanduiden en verduidelijken van moeilijke passages, verduidelijken van hoofd- en bijzaken, illustreren van de inhoud.
Slot: samenvatten van geheel, terugkoppelen naar doelstellingen, verband aangeven met volgend college, studenten informeren over verwachtingen naar examen en volgend college toe.

Binnen elk van deze onderdelen kunnen studenten geactiveerd worden of worden gestimuleerd tot nadenken. De middelen die daartoe kunnen gebruikt worden, zijn:

  1. het geven en bespreken van uitdagende voorbeelden of problemen;
  2. het geven van opdrachten;
  3. het stellen van vragen en inventariseren van mening van student.





Waarvoor en hoe kan je het gebruiken?

1. Inleiding van het college
2. Kernbetoog
3.Slot van het college


1. Inleiding van het college

De inleiding heeft als doel de interesse bij studenten te wekken, hun voorkennis te activeren en hen op de inhoud, structuur en doelstellingen van het college te richten. Hierbij kan de docent de studenten op verschillende manieren activeren.

Via een boeiende opening de aandacht en interesse van studenten wekken.
Dit kan o.m.

  • door het formuleren van een uitdagend realistisch probleem,
  • door studenten te confronteren met een dilemma,
  • door naar de actualiteit te verwijzen,
  • door te vertrekken vanuit een anekdote.

Daarnaast kan men ook de voorkennis van studenten activeren of hen hun mening laten expliciteren

  • door een stelling te poneren waarbij studenten argumenten voor of tegen zoeken,
  • door studenten zelf een begrip of kenmerken van een begrip te laten omschrijven.

De antwoorden van studenten kunnen vervolgens gebruikt worden om een omschrijving of definitie van een begrip op te bouwen.

2. Kernbetoog

Het kernbetoog heeft als doel het gestructureerd aanbieden van lesinhoud, het aanduiden en verduidelijken van moeilijke passages, het verduidelijken van hoofd- en bijzaken en het illustreren van de lesinhoud. Dit resulteert veelal in een lang betoog door de docent. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat studenten slechts een twintigtal minuten aandachtig informatie kunnen opnemen, waarna hun concentratie verslapt en nieuwe informatie de oude voor een gedeelte verdringt.
Dit kan worden opgelost door het betoog in kleinere kernpunten op te delen en studenten tussen het behandelen van deze kernpunten door te activeren. Daardoor wordt niet alleen de inhoud beter vastgezet, maar kan de student daarna opnieuw aandachtig luisteren waardoor het hoorcollege efficiënter verloopt.

Men kan de studenten zowel vr als ná een kernpunt activeren.
In het eerste geval werkt de docent inductief en daagt hij de student eerst uit via een confrontatie met een probleem, een vraag of een opdracht. Doorheen het betoog wordt dan een antwoord op het probleem of de vraag gegeven of wordt de opdracht opgelost.
In het tweede geval werkt men deductief. De docent behandelt eerst het kernpunt en geeft de studenten daarna de kans om aan de hand van de theorie een probleem of een vraagstuk op te lossen. De oplossing wordt door de docent kort overlopen. De vragen, opdrachten of oefeningen kunnen zowel individueel als in kleine groepjes besproken worden.

Soms heeft een docent niet voldoende tijd om studenten op voorhand over een probleem te laten nadenken. Dan nog kan hij studenten actiever bij de les betrekken door bijvoorbeeld op zijn transparanten niet (enkel) de essentie van een kernpunt weer te geven, maar ook een vraag over de inhoud te formuleren. Zo richt men de aandacht van de studenten op het zoeken naar een antwoord op de vraag, waardoor ze gerichter en actiever het college volgen.

3. Slot van het college

Het slot van een hoorcollege heeft vooral tot doel de inhoud samen te vatten, een terugkoppeling te maken naar de doelstellingen, vooruit te blikken naar een volgend college en studenten te informeren over verwachtingen naar examen en volgend college toe.
De mogelijkheid tot activeren beperkt zich hier tot het vragen naar onduidelijkheden en eventueel het stellen van een probleem of het geven van een opdracht naar volgend college toe.






Tips en valkuilen?

1. Het verloop van het college breken
2. (Op)stellen van vragen en opdrachten
3. Verbeteren
4. Coöperatief werken


1. Het verloop van het college breken door afwisseling van informatieaanbod en activering

Wanneer studenten lange perioden enkel moeten luisteren en noteren, vermindert de aandacht en vermindert dus ook de efficiëntie van het hoorcollege. Deel daarom het college op in stukken van 20 minuten tot een half uur, tijdens dewelke u een kernpunt of een aspect van de leerinhoud behandelt. Laat deze minicolleges voorafgaan of volgen door een activering.

2. (Op)stellen van vragen en opdrachten

De activerende werking van opdrachten, vragen, stellingen en problemen staat of valt met hun kwaliteit en hun vermogen de studenten uit te dagen. Volgende vuistregels kunnen helpen bij het opstellen van boeiende problemen en opdrachten:

  • hoe concreter het probleem of de vraag, hoe uitdagender;
  • een probleem uit of vraag over het dagelijks leven is uitdagender dan een louter theoretisch probleem;
  • paradoxen vormen een uitdaging en intrigeren de studenten;
  • problemen uit de actualiteit boeien studenten;
  • problemen moeten niet telkens volledig verklaard worden in het voorafgaande of volgende betoog. Uitdagende problemen zijn vaak net complex. Dit biedt de mogelijkheid om een zelfde probleem gedurende een aantal colleges te behandelen en daarbij telkens een ander aspect of een andere verklaring te benadrukken;
  • het bijschaven, aanpassen, anders formuleren, uitwijden, etc. tijdens het stellen van een vraag komt de duidelijkheid niet ten goede;
  • open vragen verwachten van de studenten dat ze uit de anonimiteit treden en voor een grote groep medestudenten hun (mogelijk verkeerde) mening uiten. Dit is voor veel studenten een hoge drempel. Dit kan in sommige gevallen opgelost worden door de vraag te herformuleren als een meerkeuzevraag en studenten te laten stemmen;
  • wanneer men bij het stellen van meerkeuzevragen wil vermijden dat studenten zich aansluiten bij de meerderheid, kan men werken met een elektronisch stemsysteem, of, door een stemming met kleuren. Studenten moeten dan gekleurde papiertjes in de handpalm houden, zodat die voor de andere studenten niet zichtbaar zijn.

Ga als docent op voorhand na op welke manier (met welke leermiddelen) je een specifiek probleem of een specifieke opdracht het meest efficiënt kan voorstellen.

  • Geluids- en/of beeldfragment
  • Tekstfragment
  • Transparant
  • Bord
  • Verbaal
  • Concreet materiaal
  • Computersimulatie
  • Combinatie

Het tijdstip waarop de docent zijn vraag stelt of opdracht geeft, is belangrijk. Het heeft bijvoorbeeld geen zin nog snel een vraag te stellen wanneer studenten zich reeds aan het opmaken zijn om naar huis te gaan.

3. Verbeteren

De vragen en opdrachten worden door de student enkel als relevant en interessant geïnterpreteerd als er ook iets mee gedaan wordt. Een docent kan dit op volgende manieren aanpakken (afhankelijk van groepsgrootte en tijd):

  • oplossingen van studenten inventariseren en bespreken en van daaruit zelf een oplossing construeren;
  • de docent vormt zich vooraf zelf een beeld van wat studenten mogelijk zullen antwoorden en bespreekt die antwoorden;
  • de docent geeft en bespreekt enkel het juiste antwoord (modelantwoord).

Wanneer de docent toch in de mogelijkheid is om ervaringen te inventariseren, kan dit op volgende manier gebeuren. Centraal wordt in één begrip het onderwerp waarover de studenten bevraagd werden, geplaatst. De antwoorden van de studenten worden hier rond geplaatst en verbonden met het kernbegrip door middel van lijnen of pijlen.

4. Coöperatief werken

  • Geef studenten de tijd om stellingen en vragen te beredeneren of de opdracht op te lossen. Ze kunnen dit zowel individueel als in paren of kleine groepjes (zoemsessies) doen. Ondanks chaos en rumoer die overleg in een grote groep soms meebrengt, biedt overleg een grote meerwaarde: het verdiept het inzicht bij de student.
  • Maak afspraken omtrent tijd die studenten hebben om een opdracht op te lossen. Geef studenten minder tijd dan u voor de uitvoering voorzien had, zodat ze dadelijk aan het werk gaan.





Wil je er meer over weten?

Literatuur

De Mink, F.B. (1991). Uitdagen op hoorcolleges. OC-Bulletin nr. 30. Onderwijskundig centrum, Universiteit Twente.

Janssen, P., & De Neve, H. (1988). Studeren en doceren aan het hoger onderwijs: vakmanschap als leeropdracht. Leuven: Acco.

Mc Keachie, W.J. (1994). Teaching tips: strategies, research and theory for college and university teachers. Canada: D.C. Health an Company.

Smuling, E.B., Van Hout, J.F.M.J., & Mirande, M.J.A. (1993). Colleges en presentaties: aanwijzingen voor docenten. Groningen, Wolters-Noordhoff.

Milius, J. Oost, H., Holleman, W. (2001). Werken aan academische vorming: ideeën voor actief leren in de onderwijspraktijk. Utrecht, IVLOS.

Mirande, M.J.A. (1979). Enkelvoudig en meervoudig college geven. Onderzoek van onderwijs, 8, 1, 10-14.

Van Dijck, L. (2000). Activeren in colleges: mogelijkheden en effecten onderzocht. Technische universiteit Delft.






Bijhorende Voorbeelden

- Open leerpakketten en interactieve contactmomenten in de academische lerarenopleiding
- Activerend Hoorcollege Informatieoverdracht
- Peer instruction in Revalidatiewetenschappen & kinesitherapie
- Portfolio en activerend hoorcollege in het opleidingsonderdeel 'gegevensstructuren'
- Methoden van onderzoek in de pedagogische wetenschappen: Empirisch-analystische methoden m.i.v. de statistiek deel 1
- Wiskundige Analyse a.d.h.v. activerende hoorcolleges en tussentijdse toetsen
- Objectgericht programmeren: integratie van de oefeningen in het hoorcollege (bij informatica en burgerlijk ingenieur)

Bijhorende Steekkaarten

- Probleemtaken als middel om voorkennis activeren en inzicht vergroten
- Videoconferencing: ruimteoverschrijdend onderwijzen

Trefwoorden

Werkvormen algemeen



laatst gewijzigd: 6-6-10