Projectonderwijs kan verschillende vormen aannemen. De verschillen tekenen zich af op zes dimensies, die samen de kern van het projectonderwijs uitmaken.
1. Werkvorm versus onderwijsvorm
2. Inbedding in de realiteit: reëel versus virtueel
3. Structuur: losse/open structuur versus vaste/opgelegde structuur
4. Sturing: Van buitenaf gestuurd versus zelfgestuurd
5. Interdisciplinariteit: een vak versus alle disciplines
6. Groep: individu versus groep
7. Samenvattend
Hoewel projectonderwijs sterk uiteenlopende vormen kan aannemen, kunnen over het algemeen altijd enkele kenmerkende fasen worden onderscheiden.
1. Werkvorm versus onderwijsvorm
Men kan projectonderwijs binnen een leeromgeving als een werkvorm gebruiken naast andere methodieken, dan wel als een vak of zelfs als een jaarprogramma in hun geheel als projectonderwijs vorm geven. Projectonderwijs lijkt evenwel het sterkst tot zijn recht te komen wanneer het als onderwijsvorm wordt gehanteerd. In de praktijk blijken gematigde vormen van projectonderwijs (zie voorbeeld 'Projectonderwijs Sociale Pedagogiek') de bovenhand te halen. Hierin wordt projectonderwijs als de kern van de opleiding beschouwd, maar tegelijk omkaderd met een aantal meer 'klassieke' werkvormen, zoals bijvoorbeeld hoor- en werkcolleges.
2. Inbedding in de realiteit: reëel versus virtueel
Men kan binnen projectonderwijs werken met een in de praktijk bestaand onderwerp waarvoor naar een mogelijk antwoord wordt gezocht, dan wel met een virtueel, gesimuleerd thema. Meestal wordt veel belang gehecht aan het realiteitsgehalte van het uitgangsthema omdat dit de relevantie van het project voor de studenten sterk vergroot en een realistische inoefening van de vooropgestelde vaardigheden toelaat.
3. Structuur: losse/open structuur versus vaste/opgelegde structuur
Men kan het projectonderwijs zeer open of los structureren en vooraf weinig meer vastleggen dan de eigenlijke projectgroepen, dan wel een vaste structuur uitwerken, waarin vooraf zorgvuldig wordt bepaald welke fasen moeten worden doorlopen binnen welke tijdsspanne, in welke ondersteuning wordt voorzien, enz. In de meeste gevallen houdt projectonderwijs het midden tussen een open en een gesloten structuur.
4. Sturing: van buitenaf gestuurd versus zelfgestuurd
De dimensie 'sturing' heeft betrekking op de mate waarin er inhoudelijk en methodisch richting wordt gegeven aan het project vanuit een externe bron, dan wel vanuit de projectgroep zelf. Meestal wordt ook hier voor een 'gulden middenweg' gekozen. Er wordt naar gestreefd de sturing meer en meer in handen van de studenten te leggen, omdat het zelfstandig leren functioneren een belangrijk leerdoel is.
5. Interdisciplinariteit: een vak versus alle disciplines
De inhoud en uitwerking van het projectonderwijs kan zich beperken tot een vak, dan wel meer disciplines omvatten. In het laatste geval is er binnen een project plaats om multi- en interdisciplinair te werken. Meestal bestaat grote openheid om andere vakken in het projectonderwijs te betrekken, ook al kadert het 'officieel' binnen één bepaald vak. De studenten hebben immers de kennis die ze in andere vakken opdoen nodig om aan de opdracht te werken.
6. Groep: individu versus groep
Men kan binnen projectonderwijs individuele leer- en werkdoelen voorop stellen, dan wel leer- en werkdoelen van de groep, die meer zijn dan de som van de individuele doelstellingen. Meestal beklemtoont men het groepsaspect. Werken in groepsverband is immers een belangrijke vaardigheid voor het latere (beroeps)leven.
7. Samenvattend
Samenvattend kan worden gesteld dat voor elk van deze dimensies een goed overwogen keuze zal moeten worden gemaakt. Het is aangewezen zich daarbij te laten leiden door de doelstellingen die men vooropstelt. De vorm waarin men het projectonderwijs op elk van de geschetste dimensies giet, hoort de studenten optimale kansen te bieden om deze doelstellingen te realiseren. Daartoe is het tevens noodzakelijk om met de kenmerken van de studenten rekening te houden.
Kenmerkende fasen van projectonderwijs
Hoewel projectonderwijs sterk uiteenlopende vormen kan aannemen, kunnen over het algemeen altijd enkele kenmerkende fasen worden onderscheiden (ook hiervoor bestaat in praktijk variatie met betrekking tot de wijze waarop deze fasen concreet vorm krijgen):
- (eventueel een inleiding op de methode van projectonderwijs zodat de studenten weten waar ze aan toe zijn);
- fase van de themakeuze waarin de groepen worden gevormd;
- fase van de probleemdefiniëring waarin de opdracht of het probleem waarrond de groep zal werken zeer precies wordt geformuleerd;
- fase van de praktische planning waarin de groep afspraken maakt over tijdsbeheer, taakverdeling en interne evaluatie;
- onderzoeksfase waarin de oplossing van de opdracht of het probleem wordt uitgewerkt en hierover een rapport wordt opgesteld;
- evaluatiefase waarin het bereikte resultaat wordt geëvalueerd en waarin de uitgewerkte oplossing eventueel ook wordt ingevoerd in de praktijkorganisatie.