Assessment development center in het opleidingsonderdeel anatomie van de huisdieren

evaluatievormen
Voorbeeld
Instelling: 
Universiteit Antwerpen

Algemene info

Opleiding: 
diergeneeskunde
Opleidingsonderdeel: 
Anatomie van de huisdieren, deel II
Opleidingsjaar: 
Bachelor 2
Academiejaar: 
2003-2004
Studiepunten: 
12
Contacturen: 
60u (theoretisch deel), 90u (praktisch deel)
Aantal studenten: 
70
Aantal begeleiders: 
1 docent (theoretische lessen), 2 assistenten (practica)

Het opleidingsonderdeel anatomie van de huisdieren deel II, verzorgd in de tweede bachelor diergeneeskunde, bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. De evaluatie van het practicum gebeurt aan de hand van een 'assessment center' waarbij zowel de kennis als de vaardigheden worden geëvalueerd. Tijdens het practicum leren studenten de theorie toepassen (kennis) en proefdieren dissecteren (vaardigheden).

De invoering van het assessment center werd doorgevoerd uit onvrede met het practicumexamen op het einde van het academiejaar. Studenten kregen slechts één kans om hun kunnen te tonen, waardoor er soms een vertekend beeld ontstond.

Studenten beschikken over voorkennis en een basisvocabularium uit het opleidingsonderdeel: Algemene anatomie van de huisdieren, deel I.

Doelstellingen

Het opleidingsonderdeel Anatomie van de huisdieren, deel II stelt volgende doelstellingen voorop:

  • De student heeft kennis van en inzicht in de anatomische structuren en kan deze kaderen in een functioneel geheel.
  • De student is vaardig in het aanduiden, palperen, dissecteren en exposeren van anatomische structuren op een gepaste wijze.

Dit opleidingsonderdeel wil ook bijdragen aan het verwerven van een aantal algemene competenties:

  • Kritische en onderzoeksgerichte houding
  • Zelfstandig kunnen werken
  • Kunnen functioneren in groepsverband
  • Kunnen communiceren met vakgenoten en met brede maatschappelijke groepen.

Aangeboden leerinhouden

Tijdens het opleidingsonderdeel, worden huisdieren verder per functionele eenheid (voorste en achterste lidmaat, thorax, abdomen) zowel theoretisch als praktisch ontleed.
Daarbij komen beenderen, gewrichten, spieren, bloedvaten en zenuwen aan bod. Er wordt verband gelegd tussen deze structuren en het functioneel geheel waar ze deel vanuit maken: het bewegingsapparaat van het dier.

Niet enkel de anatomie op zich, maar ook stoornissen in één of meerdere van deze elementen en de daaruit resulterende bewegingsstoornissen worden behandeld ter illustratie.

Werkvormen en leermiddelen

Werkvormen

College

De colleges bestaan grotendeels uit presentaties ondersteund door audiovisuele middelen (powerpoint presentaties, fotos van anatomische structuren). Toch worden de studenten aangespoord om actief bezig te zijn tijdens deze contactmomenten d.m.v. het stellen van vragen (a.d.h.v. fiches wordt getracht elke student min. 1 maal te laten antwoorden tijdens de les) en d.m.v. het geven van vraagstukken die ze individueel of in groep oplossen. Deze vraagstukken worden hetzij klassikaal, hetzij door medestudenten of door de docent nagekeken.

Tijdens het theoretische gedeelte (college) verrichten de studenten volgende leeractiviteiten:

  • Studenten luisteren naar de presentatie van de docent;
  • Studenten analyseren mee het visuele materiaal;
  • Studenten stellen vragen en beantwoorden de vragen van de docent;
  • Studenten lossen vraagstukken op, de verbetering gebeurt door medestudenten, klassikaal of door de docent.

Practicum

De practica zijn onderverdeeld in 3 grote blokken (spieren, bloedvaten en zenuwen.) Elke blok bestaat telkens uit 4 practicumsessies van 3 uur. De eerste 3 sessies zijn oefensessies. De laatste sessie is het assessment center.
Studenten ontleden in groepjes van 4 een kadaver (geit of hond). Ze rapporteren de stappen in hun proces en hun ervaringen schriftelijk in een werkschrift. De assistent observeert, geeft toelichting en feedback of demonstreert handelingen. De schriftelijke rapportage wordt nagekeken en er wordt feedback geformuleerd.
Voor zijn observaties gebruikt de assistent dezelfde observatieformulieren  als voor het assessmentcenter (zie bijlage). Zo wordt er zicht gehouden op het leerproces en de vooruitgang van de studenten. Deze observaties worden mondeling naar de studenten teruggekoppeld.

Tijdens het practicum verrichten de studenten volgende leeractiviteiten:

  • Studenten oriënteren zich op het kadaver;
  • Studenten palperen het kadaver;
  • Studenten dissecteren het kadaver;
  • Studenten exposeren de gevraagde structuur;
  • Studenten gaan daarbij consciëntieus, hygiënisch en weefselsparend te werk;
  • Studenten noteren hun bevindingen in een werkschrift (wordt gecontroleerd). Studenten gebruiken de opmerkingen van de docenten op hun schrift om hun schriftelijke rapportage te verbeteren;
  • Studenten relateren de onderzochte structuur met het functionele geheel van het bewegingsapparaat;
  • Studenten luisteren naar de feedback die ze van de begeleidende assistent ontvangen.

Assessment center

Het 4e practicum is een assessment center. Dit heeft zowel een beoordelende als remediërende functie. Studenten krijgen individueel schriftelijk feedback op hun schriftelijke rapportage en op hun uitvoering. Mondeling worden ook de grootste pijnpunten en fouten klassikaal toegelicht.

Elektronische leeromgeving

Op het elektronische leerplatform kunnen studenten extra oefeningen en vraagstukken (zelftests)maken (facultatief). Ze kunnen er met hun vragen terecht op een discussieforum. Tevens kunnen ze er de demopreparaten die gebruikt worden tijdens de practica bestuderen.

Op de elektronische leeromgeving verrichten de studenten volgende leeractiviteiten:

  • Studenten kunnen vragen stellen mbt de leerstof op het discussieforum;
  • Studenten nemen de antwoorden van medestudenten en van assistenten door;
  • Studenten kunnen er Fotos van de demopreparaten raadplegen, gerangschikt per blok (spieren, bloedvaten en zenuwen) en diersoort (geit, carnivoor en paard) van de demopreparaten;
  • Studenten kunnen de beheersing van de leerstof testen via zelftesten per blok (spieren, bloedvaten en zenuwen).

Leermateriaal

De studenten hanteren een werkschrift waarin de voornaamste stappen genoteerd staan die ze moeten volgen om tot het juiste resultaat te komen. Het schrift is ook een invulboek waar bepaalde cruciale oriëntatiepunten en opvallendheden blanco gelaten zijn. De student moet deze invullen voor (als voorbereiding op het practicum) of tijdens de practica.

Feedback & begeleiding

De docent ondersteunt het leerproces als volgt:

  • Theorie uitleggen;
  • Observeren tijdens assessment center en feedback geven;
  • Ontwikkelen van interessante vraagstukken en oefeningen voor assessment center en elektronische leeromgeving;
  • Onderhouden en updaten van elektronische leeromgeving.

De assistent vervult volgende taken ter ondersteuning:

  • Begeleiden van practica: demonstreren, uitleggen, feedback geven;
  • Observeren van studenten tijdens practica en assessment center;
  • Bijhouden van observaties als monitoring van het leerproces;
  • Nakijken van werkschriften;
  • Geven van mondelinge en schriftelijke feedback.
Evaluatievorm

Het practicum wordt gedeeltelijk geëvalueerd tijdens het academiejaar, d.m.v. een assessment center. Op het einde van het academiejaar is er een geïntegreerd examen over het theoretische en praktische gedeelte van het opleidingsonderdeel.

Assessment center

Vanuit onvrede met het oudere evaluatiesysteem werd een assessment center ingevoerd (zie ook: reflectie docent). Studenten worden daarbij geconfronteerd met een aantal opdrachten. De beoordeling geschiedt volgens een vaste evaluatieprocedure.

Opdrachten

Het practicum is opgedeelde in drie grote blokken (Spieren, bloedvaten en zenuwen), bestaande uit telkens drie practica. Tijdens een vierde practicum van elk blok wordt het assessment center georganiseerd. Studenten krijgen daarbij drie opdrachten:

  • Palpatie-demo-opdracht1: de studenten moeten binnen 15 min, 5 structuren aanduiden op een kadaver. Ze moeten daartoe het kadaver nog exposeren.
  • Palpatie-demo-opdracht 2: de studenten moeten binnen 15 min, 5 structuren benoemen op een geprepareerd kadaver.
  • Vraagstuk: Studenten krijgen een kadaver waarbij een structuur werd beschadigd. Ze moeten in een tijdspanne van 15 minuten achterhalen welke structuur werd beschadigd. Tevens moeten ze schriftelijk rapporteren over de opgelopen functionele schade (i.c. welke invloed deze beschadiging heeft op het bewegingsapparaat van het dier).

Elke opdracht gebeurt in een verschillend station. Studenten voeren in de hen toegewezen tijd de opdracht uit. Nadat de tijd verstreken is, wordt er doorgeschoven. Dit betekent dat er nieuwe studenten binnenkomen voor de eerste opdracht, studenten doorschuiven naar een volgende opdracht of vraagstuk en dat studenten die de drie opdrachten uitgevoerd hebben, het examenlokaal verlaten.
Tijdens de uitvoering van de opdracht en het vraagstuk worden studenten geobserveerd door de docent of een assistent. Elke observator neemt één type (zie reflectie docent voor verantwoording) van opdracht voor zijn rekening. De docent of assistent scoort de student met behulp van een observatielijst (zie bijlage). De docent of assistent gebruikt deze lijst ook tijdens de gewone practica om de studenten permanent te beoordelen op hun vaardigheden.
Ondanks de gelijklopendheid van de opdrachten tijdens elke beoordeling, is er toch een stijging in moeilijkheidsgraad. Het exposeren van (relatief grote) spieren is veel eenvoudiger dan het exposeren van zenuwen.

Evaluatieprocedure

Het assessment center in combinatie met de evaluatie tijdens de andere practica bepaalt 15 van de eindbeoordeling voor het opleidingsonderdeel. De beoordelingsprocedure verloopt als volgt. Docent en assistenten leggen hun observatielijsten en de verbetering van de schriftelijke producten naast elkaar. Via onderling overleg krijgt de student een beoordeling op 3 punten. Soms worden de observaties uit de practicumsessies geconsulteerd, wanneer de assistent het gevoel heeft dat de score het eigenlijke presteren van de student niet weerspiegelt. Er kan dan een correctie doorgevoerd worden (enkel in positieve zin). (Voor een verantwoording van deze procedure, zie reflectie docent)
Naast een beoordelende functie heeft het assessment center ook een remediërende functie. Studenten krijgen na elke beoordeling immers ook feedback.
 

Geïntegreerd Eindexamen

Op het einde van het academiejaar hebben de studenten een (fysiek) geïntegreerd eindexamen. Het betreft een mondeling examen met schriftelijke voorbereiding. Studenten krijgen twee theoretische vragen en twee praktische opdrachten.
Er worden twee soorten theoretische vragen gesteld:

  • Een eerste type bevat een duidelijke link naar de latere praktijksituatie, bv. Welke structuren kunnen er beschadigd worden bij nageltred (= stap in nagel) bij het paard.Bespreek uitvoerig de letsels.Welke zenuwen ga je verdoven om dit letsel te verzorgen? Heb je ook een suggestie waar?
  • Een tweede vraag is een louter theoretisch vraag, bijvoorbeeld: Bespreek het oppervlakkige venensysteem bij Carn.

Voor de praktische examenvragen, betreft het opdrachten analoog aan degene die studenten al maakten tijdens de assessment centers (zie hoger), m.n. een demo-opdracht en een vraagstuk.
Dit eindexamen bepaalt 85 van de eindbeoordeling voor het opleidingsonderdeel (45 voor het theoretisch gedeelte en 40 voor het gedeelte waar de student tijdens de practica en het Assessment center heeft kunnen oefenen).

Reflectie

Reflecties Studenten

Op het einde van eerste semester werden de studenten bevraagd over de nieuwe vorm van practicum, theorie en examen. Daaruit bleek dat studenten het assessment center en het werkschrift positief evalueren. Het bood een goede voorbereiding op het examen. Studenten vinden de opdrachten en vraagstukken ook relevant voor het latere beroepsleven. Het assessment center lijkt vooral een positieve invloed op de motivatie van studenten te hebben.

Reflecties Docent

Verantwoording evaluatieprocedure

"We hebben voor een assessment center gekozen ipv een volledige permanente evaluatie om studenten een aantal echte leermomenten te geven. Gedurende 3 practica kunnen ze oefenen en krijgen ze hierop feedback. Pas tijdens het 4e practicum worden ze afgerekend op hun evolutie in vaardigheden.

Er werd ook geopteerd voor een algemene beoordeling op basis van de observaties i.p.v. een puur statistisch analyseren van de schalen (rekenkundig gemiddelde van scores). Het grootste probleem was het invoeren van een klassiek assessment center. Hierin zijn we niet geslaagd door de omvang van de groepen en het beperkte aantal begeleiders. De formule die we nu hebben uitgewerkt komt wel tegemoet aan deze logistieke beperkingen. Het evalueren van de studenten verloopt vlot, toch merk ik dat gaandeweg de evaluatielijsten moeilijk bij te houden zijn, met als risico dat het gevaar ontstaat om weerom 1-malig de vaardigheden te beoordelen.We remediëren dat nu door min 2 keer (na spieren en na bloedvaten) puntenlijsten uit te hangen en georganiseerd feedback te geven aan de studenten.

De observatielijsten die tijdens het practicum en het assessment center worden gebruikt, zijn in feite bedoeld om de vaardigheden te beoordelen. Toch blijkt het in de praktijk moeilijk om deze vaardigheidsmeting los te koppelen van kennis (bv. Een student kan heel moeilijk een kadaver efficiënt exposeren, wanneer hij niet weet waar de structuur die hij moet exposeren zich precies bevindt). Een echte zuivere vaardigheidsmeting is dus moeilijk haalbaar."

Type hoger onderwijs: 
universiteit
Studiegebied: 
wetenschappen en toegepaste wetenschappen
Groepsgrootte: 
50 tot 100
Doelstellingen: 
attitudes
integratie kennis, vaardigheden en attitudes
vaardigheden
Werkvormen: 
practicum/werkcollege/oefening
Evaluatievormen: 
gedragsevaluatie/vaardigheidstoets
Feedback & begeleiding: 
docentengestuurd
random