Assessment center: een manier om competenties te toetsen

evaluatievormen
Didactische informatie

Het assessment center is een manier om competenties te toetsen. De student lost, individueel en/of in groep, beroepsrelevante oefeningen op in een realistische context.

Een assessment center kan als volgt omschreven worden:

"Een vorm van assessment waarin studenten in contextrijke en complexe situaties worden gebracht waarin zij voor hun opleiding en later beroepsleven relevante competenties kunnen tonen. Daarbij worden de taakstelling en de toetsomstandigheden over studenten constant gehouden."

In zijn 'enge vorm' werden aan het assessment center volgende kenmerken toegeschreven:

  • het is een assessmentvorm waarbij de student zonder specifieke voorbereiding, onder tijdsdruk, in gesimuleerde beroepssituaties één of meerdere opdrachten uitvoert;
  • de student wordt direct geobserveerd door een assessor;
  • de te beoordelen competenties en daarop gebaseerde gedragscriteria zijn op voorhand bekend bij de student, evenals de vorm van assessment; de inhoud echter niet;
  • er wordt een groot appèl gedaan op de eigen invulling en creativiteit van de student. Er is geen sprake van één uitkomst, één juiste aanpak of één juiste werkwijze;
  • er is inhoudelijke, op observatie gebaseerde feedback als afronding van het assessment;
  • het assessment center is een combinatie van oefeningen waarbij de te observeren gedragscriteria (zie tips en valkuilen) in meer dan één oefening aan de orde komen. Dit zorgt ervoor dat studenten de gelegenheid hebben een zelfde gedrag in meerdere contexten te tonen.

Op dit ogenblik echter worden assessment centers vaak breder gedefinieerd zodat er een diversiteit van de vormen en mengvormen bestaat in de bedrijfs- en onderwijscontext. Bijvoorbeeld: studenten krijgen wel voorbereidingstijd; er worden andere evaluatiemethoden gebruikt dan observatie; er worden minder complexe vaardigheden getoetst, etc.

Bouwstenen

Het assessment center bestaat uit een aantal oefeningen die studenten individueel of in groep oplossen. Voor deze oefeningen is er een op voorhand bepaalde tijdslimiet. Wanneer een oefening is afgewerkt, schuift de student door naar een volgende oefening of opdracht. Meestal bevindt die zich in een ander lokaal. De oefeningen zijn in principe onafhankelijk en kunnen in willekeurige volgorde worden afgelegd. Tijdens het afleggen van de proef wordt de student geobserveerd door een assessor met behulp van een beoordelingslijst.
Op deze beoordelingslijsten staan een aantal gedragingen. Deze zijn kenmerkend voor of een operationalisering van een competentie. De hoeveelheid oefeningen is afhankelijk van het aantal competenties dat men wenst te toetsen en het aantal gedragscriteria dat men per competentie definieert. De student moet doorheen de oefeningen in staat zijn alle kenmerkende gedragingen van een competentie minstens eenmaal te tonen.

De oefeningen uit een assessment center zijn competentietoetsen. Ze confronteren de student met beroepsrelevante en complexe problemen. Er zijn drie soorten competentietoetsen, elk met hun eigen graad van representativiteit voor het latere beroepsleven en hun eigen betrouwbaarheid.

  • Hands on-toetsen: een toetsmethodiek waarbij kandidaten in een reële setting en met gebruik van realistische apparatuur, gereedschappen of instrumenten bepaalde taken uitvoeren. Bijvoorbeeld  een praktisch rijexamen. De representativiteit voor het latere beroepsleven is zeer groot, maar de betrouwbaarheid van de meting is lager omdat het moeilijk is de toetssituatie te standaardiseren.
  • Simulaties: een toetsmethodiek waarbij vaardigheden  worden gedemonstreerd onder nagebootste werkomstandigheden, al dan niet  gebruik makend van nagebootste apparatuur. Bijvoorbeeld acteur-simulaties bij patiëntonderzoek en het simuleren van reanimaties op een pop. Of simulaties van vergaderingen waarbij de studenten een bepaalde rol opnemen. De representativiteit is lager dan bij hands on-toetsen, maar de betrouwbaarheid is hoger.
  • Hands off-toetsen: taken waaruit moet blijken dat de student de cognitieve component van de competentie bezit. Studenten moeten niet handelen, maar tonen dat ze weten hoe ze zouden moeten handelen. De representativiteit van deze toetsen is laag, maar de betrouwbaarheid hoog. Voorbeelden zijn een computersimulatie van een klinische diagnose of schriftelijke taken waarin studenten een probleemtaak (zie steekkaart Probleemtaken) oplossen.

In de onderwijspraktijk wordt vooral gebruik gemaakt van simulaties en hands off-toetsen. Een grote groep studenten hands on-toetsen voorleggen is organisatorisch moeilijk haalbaar.

Waarom inzetten

Het assessment center wordt in het onderwijs gebruikt om na te gaan welke competenties een student op een bepaald ogenblik verworven heeft. Het doel van deze competentiemeting kan echter verschillend zijn:

  • diagnose als basis voor een studiekeuze;
  • vaststelling van elders verworven competenties, bijvoorbeeld in het kader van het al dan niet toekennen van studieduurverkorting;
  • vaststellen welke competenties na een doelgerichte training of opleiding verworven zijn met het oog op kwalificatie;
  • vaststellen welke competenties reeds verworven zijn met het oog op verdere ontwikkeling;
  • eindbeoordeling bij de afronding van de opleiding.

Uit deze opsomming blijkt dat een assessment center zowel voor formatieve evaluatie als voor summatieve evaluatie kan gebruikt worden.

Wanneer een assessment center wordt gebruikt om de sterke en zwakke kanten van studenten vast te stellen en op basis daarvan nieuwe leerdoelen te bepalen (formatief), spreekt men van een development center.
Idealiter wordt het assessment center in dit geval vooraf gegaan door een self-assessment van de student en gevolgd door een feedbackgesprek met de tutor (zie didactische fiche Tutor bij PGO), begeleider of mentor. In een self-assessment maken studenten een inschatting van de mate waarin ze de competenties reeds beheersen. In het feedbackgesprek achteraf bespreekt de docent het gedrag van de student tijdens de toetsing: stemmen de resultaten van de self-assessment overeen stemt met de realiteit? Op basis daarvan worden nieuwe leerdoelen geformuleerd.

Het assessment center toetst vooral de gedrags- en attitudecomponent in competenties. Men gaat ervan uit dat als de student de kennis functioneel gebruikt, deze ook verworven  zijn. Al is het wel mogelijk om kenniscomponenten te toetsen, bijvoorbeeld door een inhoudelijke discussie of het voorbereiden van een presentatie.

Tips & valkuilen

1. Financiële en organisatorische aandachtspunten

Het organiseren van een assessment center kan financieel en organisatorisch moeilijk zijn voor een opleiding.

  • Financieel
    Vooral de aankoop van materiaal voor (computer)simulaties is veelal kostelijk. Het materiaal van het assessment center moet echter niet enkel tijdens de beoordeling gebruikt worden, maar kan ook zijn plaats hebben binnen de opleiding zelf. Dit rechtvaardigt de kosten al enigszins.
  • Organisatorisch
    Het organiseren van een assessment center kan een belasting vormen voor de infrastructuur van een opleidingsinstituut. Elke oefening gebeurt immers best in een apart lokaal zodat studenten elkaar niet storen.
    Ook wat betreft de hoeveelheid assessoren kan een assessment center voor problemen zorgen. Elke oefening moet immers geobserveerd worden door minstens één assessor. Dit betekent dat een assessment center minder geschikt is voor opleidingsonderdelen die door één enkele docent verzorgd worden. Voor opleidingsonderdelen, blokken of modules die door een team van docenten worden begeleid, is de organisatie haalbaar. Ook voor het toetsen van vakoverschrijdende vaardigheden kan een assessment center worden georganiseerd.
    Tenslotte moet men op voorhand ook de organisatie voor de studenten degelijk plannen, zodat studenten vlot kunnen doorstromen tussen de verschillende oefeningen.

Een assessment center kan zowel gebruikt worden voor formatieve als summatieve evaluatie. De student moet echter op de hoogte zijn over welke vorm van evaluatie het in zijn specifieke geval gaat.

2. Opstellen van de taken en criteria voor het evalueren

Een moeilijk onderdeel van het assessment center is het opstellen van de taken en de evaluatiecriteria. Enkele aanwijzingen:

  • De docent vergewist zich ervan gewissen dat de oefeningen het gedrag en de houding van de student meten. Ze houden in principe geen rekening met karaktertrekken of persoonseigenschappen. Bijvoorbeeld extraverte mensen zouden niet per definitie hoger mogen scoren dan introverte.
  • De evaluatie bij een assessment center gebeurt op een gestandaardiseerde manier. De assessor maakt gebruik van een beoordelingslijst met criteria voor observeerbaar gedrag. Dit vereist dat de competenties die men wenst te toetsen eerst vertaald worden in dergelijke criteria. Dat kan door volgende vier stappen te volgen:
    • benoemen van competenties en eventueel samenstellende deelcompetenties;
    • omschrijven van de betekenis van (deel)competenties; aangezien competenties niet in alle beroepssituaties dezelfde betekenis hebben, is het van belang een heldere omschrijving te geven van de competentie binnen deze opleiding;
    • omschrijven van (deel)competenties in diverse niveaus. Een competentie bezitten is geen kwestie van alles of niets; het is eerder een continuüm. Voor de evaluatie betekent dit dat van de competenties niveaus worden gedefinieerd in de vorm van een schaalverdeling. Zo wordt zowel aan assessoren als aan studenten inzicht geboden in het ontwikkelingsgerichte karakter van competenties;
    • aangeven van observatiepunten: het bepalen van concrete gedragingen voor elk niveau. Dit geeft de assessor concrete aangrijpingspunten bij het observeren van studenten en tevens geeft het de student inzicht in de gewilde ontwikkelingsrichting van zijn competenties.

3. Kwaliteit van de assessment

De kwaliteit van de assessment staat of valt met de kwaliteit van de assessor. Er is niet noodzakelijk een goed of fout antwoord, één juiste manier van oplossen. Hij of zij moet in staat zijn om onbevooroordeeld naar gedragsuitingen te kijken en deze te turven. Om hieraan een inhoudelijke beoordeling te koppelen, moet de docent goed nadenken over de selectie van gedragscriteria per competentie. Daarbij moet zowel gelet worden op de kwaliteit als de kwantiteit van het gedrag.
Voor beginnende docenten is het bovendien heel moeilijk om afzonderlijke competenties af te leiden uit het geobserveerde gedrag van de student. Een gedegen assessortraining kan hier een oplossing vormen.

Relevante literatuur

Assessment center

Bruijns, V. (2002). Assessment centers als onderdeel van een competentiegerichte leeromgeving. In F. Dochy, L. Heylen en H. Van de Mosselaer (Red.). Assessment in onderwijs. Nieuwe toetsvormen in studentgericht onderwijs en competentiegericht onderwijs. Utrecht, Lemma.

Dochy, F.J.R.C. & de Rijke, T.R. (1995). Assessment centers. Nieuwe toepassingen in opleiding, onderwijs en HRM. Utrecht, Lemma.
Hierbij zijn vooral het eerste hoofdstuk uit Deel 1, assessment centers in bedrijf en onderwijs: stand van zaken, en Deel III, Toepassingen in onderwijs, interessant.

Construeren van competentietoetsen

Houtman, I. & Schinkelshoek, D. (1988). Toetsen van praktische vaardigheden: handleiding voor docenten. Almere, Versluys.

Doelstellingen: 
attitudes
integratie kennis, vaardigheden en attitudes
vaardigheden
Leermiddelen: 
overige
Evaluatievormen: 
gedragsevaluatie/vaardigheidstoets
random